Even voorstellen – Gerard PA0BAT

Even voorstellen – Gerard PA0BAT

Dag allemaal.
Ik ben Gerard Geesink, geboren op 26 dec. 1953 in Winterswijk.
In 1958 verhuisde ons gezin naar Aalten, waar mijn vader een aanstelling als onderwijzer gekregen had. Daar ben ik ook opgegroeid.
Ik heb nog een jongere broer en zus.

Na de lagere school doorliep ik de HBS in Aalten. Dat was de laatste lichting HBS, want de zg. Mammoetwet was in werking getreden waarmee de oude schoolsystemen (MULO, HBS) ophielden te bestaan en nieuwe systemen (MAVO, HAVO) hun intrede deden. Na het 3e jaar van de HBS moest je kiezen tussen de A- en de B-richting. Met enige aarzeling is het de B-richting geworden, omdat ik wat interesse voor techniek begon te te ontwikkelen. Naar later bleek de juiste keuze.

Thuis hadden we een Fridor-buizenradio. Fridor was meen ik een onder Philips-licentie gemaakt apparaat. Daar mochten wij kinderen absoluut niet aankomen. Die was gereserveerd voor pa, om op zondag naar het voetbal te luisteren. Verder mocht het ding niet aan.

Toen ik een jaar of 14 was kreeg ik van een buurvrouw een klein bakelieten radio’tje, met U-serie buizen erin. Sammy van Ramses Shaffy was het eerste plaatje dat ik hoorde, en het ontdekken van de radio begon.
Wat later kreeg ik van een kennis van mijn ouders een grotere buizenradio (21-serie buizen). Prachtig ding, had ik hem nog maar! Daarop ontdekte ik b.v. Radio Veronica, een nieuwe wereld opende zich! (nog steeds luister ik via internetradio vaak naar 192Radio, waar ze die ouwe banden uit de jaren 60/70 afspelen).

Een paar vriendjes prutsten ook al een beetje elektrisch. Eén van de vriendjes (later de huisarts van mijn ouders) kwam met een boekje aanzakken waar een bouwbeschrijving in stond van een middengolfzendertje met een DL92 batterijbuis en een PP11-spoel. Ja, dat was raak! Maar lastig, want ik had natuurlijk geen cent te makken en kon die dure spullen niet kopen. Ach, waar een wil is is een weg …
Veel inspiratie putten we ook uit tijdschriften, met name Radio Bulletin. Denk dat ik ze allemaal vanaf 1946 nog op zolder heb liggen.

En verder was daar nog het moment dat opa en oma, ter gelegenheid van een huwelijksjubileum, aan alle kleinkinderen Fl. 100,– (ja, honderd gulden) gaven. Een vermogen! Dat moest op de spaarbank, vonden mijn ouders. Maar na veel gezeur mocht ik 20 gulden uitgeven voor de aanschaf van een Philips EE-bouwdoos. De aanzet voor meer inzicht in elektronika …

De echte triggering van de zendhobby kwam uit een catalogus van Aurora Kontakt. De Aurora Kontakt Gids verscheen jaarlijks, en naast prachtige onbetaalbare elektronica-onderdelen stonden er ook allerhande bouwschema’s in.
Mijn aandacht werd getrokken door het schema van een meetzender voor de middengolf. Het was een simpele Hartley-oscillator met een EL84 en een 402-spoel, en een uitgangstrafo voor de modulatie. In het schema was met een dikke pijl een punt aangegeven waar bij stond: “Hier géén antenne aansluiten!”. Prima, duidelijk.
Ik heb nog enkele gidsen liggen, maar die met dat schema heb ik nog niet kunnen terugvinden.
Hoe dan ook, het piraten begon. Rond 1970. Audioversterker natuurlijk ook zelf gebouwd, uit het boek Jongensradio, met ECC83 en EL84.
Ik herinner me nog levendig dat ik die eerste zelfgebouwde versterker voor het eerst aan moest zetten. Veel vertrouwen had ik er niet in, heb hem met een verlengsnoer achter in de tuin gezet, wachtend op de knal … die niet kwam.

Dit lijkt me een mooie plek om een geheimpje te verklappen. Als piraat moest je natuurlijk een schuilnaam hebben. In eerste instantie koos ik voor “Radio-X”, maar later werd dat “Batavia”. Dan weten jullie nu waar de suffix BAT van mijn call vandaan komt!

1970 was ook het jaar waarin ik de HBS-B voltooide, en begon aan de HTS-elektrotechniek in Arnhem. Eerste jaar gedoubleerd, als HBS-er had ik geen enkele moeite met wiskunde en andere theoretische vakken, maar liep ik stuk op de praktijkvakken (bij klasgenoten met MTS-vooropleiding was dat andersom).
Het derde jaar van de HTS, 1973/1974, was het zg. praktijkjaar, dat geheel met stages ingevuld werd. Dat waren er voor mij drie: Vitatron in Dieren (pacemaker-fabrikant), Philips in Doetinchem (produktie van kristallen en keramische condensatoren), en, last-but-not-least, de TV-toren in Markelo. Die laatste, dat was ‘m! In pension in het karakteristieke pand Stationsstraat 12, het staat er nog steeds zag ik onlangs. De TV-toren was toen nog permanent bemand (stuk of vijf monteurs, een baas, en twee dames voor part-time ondersteuning). Die mensen waren in dienst van de PTT. Natuurlijk werd aan mij een begeleider, mentor, toegewezen. Dat was Bernard Braamhaar PA0ES, en zo kwam ik nauw contact met amateurradio. Wat was ik jaloers op zijn Trio TR7200 in zijn fel-oranje Ford Taunus Coupé!
In dat pension verveelde ik me ‘s avonds natuurlijk kapot. Alle tijd om het VERON-cursusboek door te nemen. En eind 1974 naar de Buitensociëteit in Zwolle om, samen met misschien wel 200 anderen, het examen radiozendamateur af te leggen. Dat was toen net niet meer mondeling maar, heel modern, multiple choice.

Het piraten op de middengolf, en ook een beetje op 3 m., was nog niet helemaal voorbij. Maar dat hield abrupt op toen een mij enigszins bekende politieagent het advies gaf om er maar eens mee op te houden. Goeie tip! Een week later werd een achterbuurman in de kraag gepakt die op 3 meter zat te rotzooien.
Dan maar op 2 meter beginnen …

In 1975 mocht ik het diploma HTS-E in ontvangst nemen. En dan … militaire dienst. Maar dat nog niet meteen, moest tot 1977 wachten (lichting 77-3). Tussentijds baantje gevonden bij een antiekhandelaar (ik weet sindsdien precies hoe “antiek” gemaakt wordt). Dan naar de soldaten, eerst rijopleiding 3-tonner in Harskamp, daarna opleiding Radiohersteller 3e echelon in Ede, en parate tijd in Assen. Na een glanzende carrière kon ik als Korporaal der Eerste Klasse afzwaaien. Ach, we hadden het niet beroerd, maar het voelde wel als verloren tijd. Toch wel veel geleerd waar ik in mijn latere werk aan terug dacht toen ik “aan de andere kant van de tafel” zat met defensie als klant/opdrachtgever.

In 1978/1979 was het lastig werk te vinden als HTS-er. Veel gesolliciteerd maar steeds afwijzingen.
Aan de stage bij Philips bewaarde ik slechte herinneringen; dat was een strak produktiebedrijf waar de zweep erover ging. Daarom aarzelde ik heel lang om bij Hollandse Signaalapparaten in Hengelo (O) te solliciteren, dat was toen eigendom van Philips. Uiteindelijk toch maar gedaan, en bij het eerste gesprek in maart 1979 werd ik op staande voet aangenomen.
Een totaal ander bedrijf dan dat Philips. Ik ben er tot aan mijn pensioen blijven werken, 34 jaar lang. Heb al die tijd bedienings- en onderhoudshandboeken (voor voornamelijk militaire apparatuur) geschreven, en de laatste paar jaar ook nog als servicetechnicus gewerkt (o.a. in Tsjechië, Zuid Korea en Saoedie-Arabië, leuke avonturen).
Holland Signaal werd Thomson CSF en daarna THALES. Eind 2013, op mijn 60ste, kon ik met een regeling vertrekken.

Het leven ging onderwijl ook door. Ik ben in 1980 getrouwd. We zijn 2 jaar in Winterswijk gaan wonen, daarna 7 jaar in Hengelo (O), en vervolgens weer terug gegaan naar Winterswijk om op zoek te gaan naar iets buitenaffigs in de Achterhoek. Dat is dan Heelweg geworden, waar ik nu nog woon. Het vrouwtje is in 1999 afgenokt, maar ik kon de boerderij gelukkig aanhouden, en woon er nu al weer 22 jaar alleen.

Gaan we nu weer terug naar de radio.
Eind 1974 kreeg ik de toenmalige C-licentie, voor 144 MHz en hoger.
Er was in die dagen ongelooflijk veel aktiviteit op 2 meter, vooral ook in FM. Aan SSB viel voor mij niet te denken, geen geld voor een dure transceiver, en zelfbouw vond ik te gewaagd.
Ik begon in februari 1975 met een 100 mW FM-module van Wolffers, en mocht van mijn ouwelui een 10 elem. Telo yagi-antenne met rotor aan de gevel van het huis monteren. Dat Wolffers-ding met vrijlopende oscillator was echt niks, het driftte alle kanten op. Wel de eerste QSO’s mee gemaakt, o.a. mijn eerste Duitser (zweten!) en een paar PA7-stations (Amsterdam, 700-jarig bestaan, best ver voor 100 mW).
De Wolffers werd al snel vervangen door een samenstel van Italiaanse STE-bouwstenen (ja ja, van Simon Hoogstraal in Almelo). Dat was wel stabiel. Eén hele watt output. En er kwam een eindtrapje, 832, QQE03/12, wat ik maar te pakken kon krijgen. Het moest wel steeds verder. Ik kreeg al snel in de gaten dat je dan toch wel SSB moest maken. En dat lukte enigszins, dank zij de ontdekking dat als je de modulatie van de STE-zender (eigenlijk geen FM maar fasemodulatie) heel smal maakte, je signaal op een SSB-detector gedemoduleerd kon worden. Dat ging zo goed dat tegenstations soms helemaal niet merkten dat je geen SSB-signaal had.

In de periode dat ik bij die antiekboer werkte kreeg ik eindelijk wat centen, en kon ik de eerste echte transceiver kopen, een Sommerkamp (Yeasu) FT221. Hoera, SSB! Een Dierking-PA met QQE06/40 erachter en gaan met die banaan! Maar daarmee begon ook het gedonder in de buurt …
Onderwijl hadden we ook een CW-cursus georganiseerd met 4 of 5 man, als ik me goed herinner wekelijks bij Jan Engelbarts (toen nog PE0ENG) thuis. Dat leverde de felbegeerde A-licentie op, hoewel ik meen dat niet iedereen het gehaald heeft.

CW, daar kon je de grenzen mee verleggen. En met meteor scatter! Dat was een heel gedoe in die tijd, zonder computers. Ontvangen op een cassettedeck met snelheidsregeling (snel opnemen, langzaam afluisteren), en de rapporten van tevoren opnemen op een geleende bandrecorder die je met 4- of 8-speed kon afspelen. Dat ging! Later kwamen er allerhande elektronische hulpmiddelen en werd het wat makkelijker.
Eind jaren 70 kreeg ik ook interesse in de hogere banden. 70 cm begon zich te ontwikkelen, evenals 23 cm. In het begin zenden met varactor-triplers, maar de techniek schreed voort.

Rond 1979 liep het gedonder in de buurt uit de hand. Radiocontroledienst er bij, diverse keren. TV-breedbandversterkers! Tientallen! Mijn spullen waren volgens de RCD in orde, maar daar los je het probleem niet mee op. Ik ben ermee gestopt, voor de tijd dat ik nog bij mijn ouders thuis woonde. Maar ik heb niet alle spullen weggedaan.

Later, op mijn eigen QTH, stak het virus weer de kop op. Nieuwe transverters gemaakt voor 70, 23, 13, 9, 6 en 3 cm. In eerste instantie voor portabel gebruik tijdens contesten op de oude vuilnisbelt in Winterswijk. Toen ik in Heelweg kwam wonen voor permanente opstelling alhier.
Ook voor drie nog hogere banden (24 GHz, 47 GHz en 76 GHz) bouwde ik transverters, de mast was knap vol, en 2 meter + 70 cm moesten wijken. 24 GHz is gebleven, 70 cm zit er inmiddels weer in, en 47/76 GHz zijn gesneuveld wegens totaal gebrek aan tegenstations.

Toen ik begon op 24 GHz was daar nog vrijwel niemand QRV. Dus ik heb meteen twee stations gebouwd, één voor mezelf en één voor de uitleen. De techniek was lastig. Zeker om wat vermogen te maken. Experimenteren dus. En het lukte om door 8 FETjes parallel te schakelen, gekoppeld met Wilkinson dividers, het riante vermogen van 250 mW op te wekken.
Teflon-substraat vanwege de lage verliezen, zelf layout tekenen, etsen … een heel gedoe …
Aanvankelijk dachten we dat de reikwijdte op 24 GHz hooguit een kilometer of 20 zou zijn. Ook hier konden de grenzen verlegd worden, ik heb inmiddels diverse tropo-verbindingen van meer dan 400 km kunnen maken, de meeste via regenscatter.
Regenscatter bleek een prima propagatiemethode op de microgolfbanden, evenals vliegtuigscatter. Afstanden van 500 – 600 km zijn nu dagelijkse praktijk, m.u.v. 24 GHz, dat is een broodje speciaal vanwege de hoge atmosferische demping (waterdampabsorptie).

Toen ik een aantal jaren op dit nieuwe QTH woonde kon ik een aangrenzend weilandje kopen, waarmee er voldoende ruimte ontstond om een EME-station op te zetten. Het is nog niet zo heel simpel om een zware 3,7 m paraboolschotel draaibaar en computergestuurd op te zetten, maar in de loop van enkele jaren is het gelukt twee van die jongens op te stellen.
Nu heb ik alles dubbel, en kan op alle banden van 432 MHz t/m 24 GHz zowel tropo als EME doen.
Langzamerhand zijn de buizeneindtrappen uit mijn station verdwenen, vorig jaar de laatste, en alle eindtrappen zijn nu solid state.
Alle locale oscillatoren, zowel die in de transceivers als in de transverters, zijn GPS-gelocked.

Ik heb geen verdere uitbreidingsplannen meer, en probeer het bestaande zo lang mogelijk in bedrijf te houden. Een kleine verbetering hier of daar is natuurlijk altijd denkbaar.

Tenslotte nog een paar woorden over de ARAC.
In eerste instantie ben ik trouwens lid geworden van de VRZA. Hun tijdschrift CQ-PA was toendertijd een weekblad, en sprak me qua technische inhoud wat meer aan dan Elektron.
Na een paar jaar ben ik toch overgegaan naar de VERON. De eerste bijeenkomsten waar ik kwam waren in Borculo, “boven de Chinees”. Eind jaren 1970. Daarna is er nog een onderbreking geweest van mijn lidmaatschap, en ben ik ook een tijdje lid geweest van de afdeling Doetinchem A24 (waar ik op grond van mijn woonplaats thuis hoor). Uiteindelijk ben toch weer teruggegaan naar de ARAC, omdat daar mijn roots lagen.
In 2001 was er sprake van een kleine bestuurscrisis, en werd ik gevraagd om secretaris van de ARAC te worden. Dat heb ik gedaan, gedurende 9 jaar. En nu al weer een paar jaar penningmeester.
In 2001 bestond de ARAC 50 jaar. Ter gelegenheid daarvan heb ik een jubileumboek geschreven, jullie allen ongetwijfeld bekend. Ter voorbereiding heb ik alle leden “van de oude garde” opgezocht en geïnterviewed, en zodoende een aardig historisch overzicht van de ARAC gekregen, en al die ouwe knakkers leren kennen. Verschillenden zijn ons inmiddels ontvallen.

Ik zou zeggen: eerst op naar de 75 jaar, en dan vol gas door naar de 100!